close
  • donderdag 22 november
Relatie en gezin

Lief pleegkind

Lief pleegkind

Vorige week publiceerden we een artikel over pleegzorg, waarin Annelies vertelde over haar ervaringen als pleegouder. Ze schreef diverse blogs over dit onderwerp en geeft daarmee een kijkje in haar pleegouder-leven. Vandaag haar blog Lief Pleegkind.

BLOG – Het is zondagmiddag. We komen op bezoek bij het gezin waar je momenteel bent. Je speelt een memoryspel en je doet net of we er niet zijn. “Hallo, ik ben Annelies,” zeg ik. Je zwijgt. ”Hoe heet jij?” vraag ik. Je blijft zwijgen en speelt je spel verder. “Ik ga winnen!” zeg je tegen je medespeelster M. “Vertel eens hoe je heet,”  zegt ze. “Ik heb geen naam!” roep je. “Ik ben niemand!”
Het valt even stil, maar we begrijpen allemaal dat je het een moeilijke situatie vindt. We dringen niet aan, drinken koffie en thee, jij speelt je spelletje uit en pakt daarna de iPad. De volwassenen praten met elkaar. Je zit bij ons aan tafel, maar blijft afzijdig. 
“Welk spel speel je?” doe ik nog eens een poging. Je zegt niks terug. Je doet of je ons negeert, maar ik zie dat je ons vanuit je ooghoeken stiekem observeert. Als we weer weggaan, zeg ik: “Dag, kom je ook gauw een keer bij ons kijken?” “Nee!” zeg je hard, en kijkt weer naar je iPad. Je groet niet als we weggaan, maar ik zie dat je ons nakijkt. Mijn hart gaat naar je uit, maar ik ben ook een beetje gespannen. Hoe moet dat gaan als je bij ons komt…

De woensdagmiddag daarna.
Je stapt aarzelend naar binnen, verscholen achter H., die je brengt. Ik zeg: “Leuk joh, dat je er bent!” In de kamer speelt Mitch. Hij is 4 jaar, even oud als jij. Je gaat direct naar hem toe en samen spelen jullie met de garage en de autootjes, alsof jullie elkaar al lang kennen. “Lust je wel een beker ranja?” vraag ik. “Ja,” zeg je, “Ranja vind ik lekker.” Ik ben blij, je hebt tegen me gepraat. En daarmee is het ijs gebroken. Je vindt het leuk om het huis te zien. De kamer, die we boven voor je in orde gemaakt hebben, bevalt je goed. “Wat is dat?” vraag je in de badkamer, terwijl je op het kinderbad wijst, dat in het grote bad staat. “Dat is een badje voor als je het grote bad nog te groot vindt,” leg ik uit. Je knikt. “Ik durf wel in het grote bad,” zeg je.

Ik laat je zien waar wij slapen en je bent, net als alle andere kindertjes die wel eens boven komen, geïntrigeerd door mijn verzameling speeldoosjes. “Kies er maar één uit, dan laten we die spelen,” zeg ik. Je kiest een bol met een sneeuwpop. Als het speeldoosje speelt dwarrelt de sneeuw door de bol. “Dat is gek,” zeg ik, “Sneeuw in de zomer.” Je lacht, en ik voel me nog een stukje blijer. Als de sneeuwpop uitgespeeld is, kies je nog een speeldoosje, hierbij gaan twee koetjes dansen als ik het mechaniekje opgedraaid heb. Mitch en jij moeten er allebei om lachen en ik ben zo blij voor je, dat je hierop kan reageren zoals alle andere kinderen. We gaan weer naar beneden, ik laat je de tuin zien en je gaat samen met Mitch op de schommel. Jullie schateren van plezier. 

Het begint een beetje te regenen, dus we gaan weer naar binnen. “Nou, wat denk je ervan?” vraagt H, “zullen we weer gaan?” Je reageert niet, maar blijft doorspelen met de autootjes. Ik zeg in de keuken zachtjes tegen H.: “Als jij het goed vindt, mag hij nog wel blijven. Dan brengen we hem direct na het eten weer terug.” H. vindt het goed en ik stel het aan je voor. Je knikt als H. vraagt: “Ja, wil je echt nog blijven als ik zo wegga?” Samen zeggen we H. gedag en jij speelt verder met Mitch. Ik vertel dat die om vijf uur opgehaald wordt en dat ik daarna ga koken. Dan komt Bert thuis en gaan we eten. “Mag ik dan helpen met koken?” vraag je direct. “Dat zou ik heel leuk vinden,” zeg ik, en verbaas me erover hoe anders het gaat als afgelopen zondag. Je speelt nog even verder en daarna willen jullie graag Brandweerman Sam kijken. Dat mag. Ik zit erbij met mijn haakwerk. Ineens kijk je me strak aan en vraagt: “Waarom ben ik hier?”  Ik besef dat dit een test is, of ik te vertrouwen ben en je respecteer. “Je komt vandaag bij ons kijken, zodat je weet hoe het hier is, als je hier volgende week komt wonen,” zeg ik. Je knikt tevreden.”Dat weet ik toch wel,” zeg je met een scheve glimlach. Ik glimlach terug, maar dat is nog iets te intiem voor je. 

Als Mitch opgehaald is gaan we naar de keuken. Ik doe een schort voor. “Waarom doe je dat?” vraag je. “Ik ben een knoeierd,” zeg ik, “En zo blijven mijn kleren schoon.” “Ik ben ook een knoeierd”, zeg je. “Wil je ook een schort?” vraag ik en je knikt blij. Ik bind jou ook een schort voor. Dat hangt zowat tot op je enkels, maar je vindt het prachtig. Samen gaan we groente snijden, ik met een koksmes, jij met een gewoon mes. Je doet enorm je best om de stukjes courgette allemaal even groot te maken en ik neem er alle tijd voor. Ik vind het eng om een kleuter te laten snijden, maar ik heb het gevoel dat je mijn vertrouwen verdient. Het gaat ook helemaal goed, en we maken samen een lekkere saus voor bij de rijst. Dan komt Bert thuis. “Het eten is bijna klaar!” roep je. Het lijkt alsof je Bert dagelijks begroet. Bert is ook blij natuurlijk en hij praat even met je. 

Dan gaat hij zich boven wassen en omkleden en wij dekken de tafel. “Waar wil jij straks zitten?” vraag ik. “Naast Bert!” zeg je. Op deze manier doe je iedere keer een schepje bovenop mijn blijdschap. Als Bert weer beneden komt, vraag je: “Mag ik even aan je baard voelen?” “Jazeker,” zegt Bert lief en buigt zich naar je over. Het is aandoenlijk om te zien dat je je kleine hand uitstrekt en voorzichtig door de baard van Bert woelt. “Ook even tegen je wang?” vraagt Bert, maar dat wil je niet, dat is te dichtbij. 
We eten met z’n drietjes en het is gewoon gezellig aan tafel, alsof we dit al veel vaker gedaan hebben. 

Ik vertel dat ik altijd na het eten een stukje uit de Bijbel voorlees, en dat ik nu de Kinderbijbel opgezocht heb, omdat de grote Bijbel wel erg moeilijk is. “Mag ik dan bij jou op schoot?” vraag je. “Natuurlijk!” zeg ik verrast. “Maar wel op één been!” zeg je dan, alsof je zelf ook ineens schrikt van je toenadering. “Prima, kom maar,” zeg ik en je klimt op mijn schoot. “Zit je niet lekkerder als je op twee benen zit?” vraag ik voorzichtig. “Jawel,” geef je toe en je hangt lekker tegen me aan. Ik ben ontroerd door dit gebaar, je bent zo vol vertrouwen! 

Als we van tafel gaan zeg je: “Nu moeten jullie me weer terugbrengen.” We hebben immers afgesproken dat we dat na het eten zouden doen. Ik heb al gemerkt dat je er erg gebrand op bent dat we inderdaad doen wat we zeggen. “Lenny moet ook mee”, zeg je vastbesloten. “Nee, deze keer niet,” zeg ik, “Ik weet helemaal niet of H. en M. dat goed vinden.” Niet iedereen vind het leuk om een hond in huis te hebben.”  “Ja hoor, dat vinden ze goed!” zeg je vasthoudend. Ik laat me niet vermurwen en uiteindelijk leg je je daarbij neer. Op deze manier leren we al wat we aan elkaar hebben. We stappen in de auto en ik zie ineens dat je een wat verloren blik hebt. “Waar ga jij zitten?” vraag je. “Naast Bert,” antwoord ik, “Of wil je liever dat ik naast jou kom zitten?” “Naast mij,” zeg je zachtjes. “Dan doe ik dat toch,” en ik installeer me naast je op de achterbank. 

Onderweg praat je over alles wat je ziet, juicht over de treinen die je langs ziet rijden en beweert dat je een adelaar ziet vliegen. 
“Wat bijzonder!” zeg ik. Je buigt je naar me toe en fluistert: “Was geen echte adelaar hoor, het was gewoon een meeuw.” Vijf minuten voordat we bij het huis van H. en M. zijn, zie ik je knikkebollen. Ik probeer je aan de praat te houden, dit is niet het moment om in slaap te vallen. “Ik hou het bijna niet vol,” zeg je, en dat klinkt zo volwassen. “Eventjes nog!” spreek ik je moed in en dan zijn we bij het huis. Ik maak je gordel los, je bent ineens weer klaarwakker, springt de auto uit en rent het huis in. Als wij er achteraan komen, ben je al druk aan het vertellen tegen M. “Ik wil mijn kamer hier ook laten zien!” zeg je en wij gaan mee naar boven. We bewonderen je kamertje en de foto waar je met je mama op staat. En je wijst trots op de klok aan de muur, een echte met wijzers! Die moet je dan bij ons ook maar op je kamer hebben, bedenk ik.  Als we weer weggaan ben je even in jezelf gekeerd. Maar dan zeg je: “Jullie moeten me wel ophalen hoor!” We beloven dat we dat zullen doen en dan gaan we weer, Bert en ik.

In de auto zijn we nog vol van jou en praten samen over hoe wonderbaarlijk goed het ging. Hoe het verder ook zal gaan, welke onvermijdelijke dipjes er zullen komen, de start was geweldig. Nu zijn we op een positieve manier gespannen over je komst. Natuurlijk weten we niet hoe het zal gaan, maar we hebben er vertrouwen in dat het een goede tijd wordt. Wat ben je sterk, lief kind, na alles wat je in je korte leven al hebt meegemaakt. We zullen van je houden en erg ons best doen om je niet teleur te stellen, je verdient het zo.

Bovenstaande tekst schreef ik een poosje geleden. Een paar dagen later haalde ik je op en kwam je bij ons wonen. Het was intensief, maar mooi. We leerden je kennen en ontdekten hoe we moesten reageren op je stemmingen en woedeaanvallen. We hadden plezier in je levenslust en konden je liefde en stabiliteit geven. We kregen een band samen, we leerden wat wel werkte en wat juist helemaal niet. Maar al snel kwam er een telefoontje: er was onverwacht een verandering in je situatie, en het gevolg daarvan was dat je weer bij ons weg zou gaan. We waren gevraagd een paar maanden voor je te zorgen, maar het bleek dus maar een korte tijd te zijn. Ik had het er moeilijk mee. Natuurlijk staat jouw geluk voorop. Daarom moeten voor jou de beste keuzes gemaakt worden. Maar we waren samen iets aan het opbouwen en nu konden we daar niet mee verder gaan, dat maakte dat ik me toch ook verdrietig voelde. We hadden zo graag nog een poosje langer voor je gezorgd. Maar pleegzorg is altijd onvoorspelbaar. Inmiddels woon je dus niet meer bij ons. Het ga je goed, lief kind. We zullen elkaar waarschijnlijk nooit meer zien, maar je houd je eigen plekje in mijn hart.